“We zaten twee dagen in de gevangenis. Daarna werden we met de trein naar Kamp Westerbork vervoerd. Gelukkig ving ik op het perron een glimp op van Vati en Heinz. Ze leefden nog. In Westerbork bleven we bij elkaar en probeerden we de moed erin te houden. Niet voor lang. Op 16 mei werden onze namen afgeroepen. Het was zover. We moesten op transport. Het was alsof we afdaalden in de hel.
De treinwagon was overvol, ondraaglijk heet en heel donker. En de stank... Op een gegeven moment fluisterde Heinz: 'Evi, ik wil je wat vertellen over onze schilderijen. We hebben ze verstopt onder de zoldervloer in Soestdijk, met een briefje erbij.' De deuren gingen open en we moesten de trein uit. We waren in kamp Auschwitz.
Heinz hielp me uitstappen. Ik sprong in zijn armen. We hielden elkaar stevig vast; we zouden elkaar misschien nooit meer terugzien. Mannen en vrouwen werden gescheiden. Vati greep mijn handen vast, keek me diep in de ogen en zei: 'God zal je behoeden, Evertje.' Mutti omhelsde Heinz innig en streek hem door zijn haar. Mijn ouders omhelsden elkaar, voor het laatst.”